Voor 16:00 besteld, vandaag verzonden

Altijd perfect garantie: Foutje? Gratis opnieuw gemaakt

Voor 16:00 besteld, vandaag verzonden

We maken jouw cadeau met zorg en zorgen dat het razendsnel onderweg is - zodat jij kunt geven op precies het juiste moment, wanneer het het meeste betekent.

4,8 (gebaseerd op +15.000 reviews)

Onze cadeaus worden gewaardeerd. Klanten beoordelen ons met een 4,8 op Google Reviews

Altijd perfect garantie: Foutje? Gratis opnieuw gemaakt

Personaliseer met een gerust hart. Maak je per ongeluk een typfoutje of kies je een verkeerde foto, dan maken wij 'm gratis opnieuw. Jouw geefmoment staat altijd op één.

Feliscia S.3 november 2026

Het aantal geboorten stijgt dit jaar licht. In de eerste negen maanden van 2026 werden in Nederland 126.920 kinderen geboren, 0,7% meer dan een jaar eerder. Dat blijkt uit voorlopige CBS-cijfers van 30 oktober. Daarom onderzocht YourSurprise hoe die recente stijging zich verhoudt tot de ontwikkeling sinds de eeuwwisseling en waar de regionale verschillen het grootst zijn.

Over die langere periode is de daling fors: in de laatste drie volledige jaren werden jaarlijks 9,2 kinderen per 1.000 inwoners geboren, tegenover 12,7 rond 2000. Dat is 27,5% minder. Op Schiermonnikoog daalde het aantal per inwoner het sterkst, met 71,1%. Het totale aantal geboorten ging daar van gemiddeld 12 naar 3,3 per jaar. Waddinxveen laat juist de grootste stijging zien, met 16,7% meer geboorten per inwoner.

Hoe hebben we dit onderzocht?

We vergelijken het gemiddelde jaarlijkse aantal geboorten per 1.000 inwoners in 2000–2002 met dat in 2023–2025. Zo zien we waar het geboortecijfer sinds de eeuwwisseling het sterkst is gedaald of gestegen. Daarnaast vergelijken we het totale aantal geboorten over precies dezelfde perioden.

Door geboorten per 1.000 inwoners te vergelijken, houden we rekening met de omvang van de bevolking. Een gemeente kan in totaal meer geboorten tellen, terwijl het aantal per inwoner daalt. We nemen steeds drie jaren samen, zodat één jaar met opvallend veel of weinig geboorten minder zwaar meeweegt.

Voor beide vergelijkingen gebruiken we dezelfde 303 gemeenten. Samenvoegingen verwerken we door de cijfers van vroegere gemeenten op te tellen. Bij 39 gemeenten is grondgebied toegevoegd of afgestaan en bieden de oude cijfers te weinig detail om daarvoor te corrigeren. Kleine gemeenten tellen mee. Bij uitschieters noemen we ook de absolute aantallen.

Verderop staat een aanvullend overzicht van de meeste en minste geboorten per 1.000 inwoners in 2023–2025. Daarin vergelijken we alle 342 gemeenten met elkaar in dezelfde recente periode. Dat overzicht laat geen verandering sinds 2000 zien. De volledige uitleg staat in de onderzoeksverantwoording onderaan deze pagina.

Waar daalde het aantal geboorten per 1.000 inwoners het sterkst?

Op Schiermonnikoog daalde het jaarlijkse aantal geboorten van 11,8 naar 3,4 per 1.000 inwoners. Met een afname van 71,1% staat de gemeente bovenaan. Dat percentage gaat over gemiddeld 12 geboorten per jaar rond 2000 en 3,3 in de recente periode: in totaal 36 tegenover 10 geboorten over telkens drie jaar.

IJsselstein en Barendrecht volgen met allebei 51,5% minder geboorten per inwoner. In IJsselstein ging het jaarlijkse aantal van 17,8 naar 8,7 geboorten per 1.000 inwoners en in Barendrecht van 16,0 naar 7,7. Ook in Bloemendaal is het cijfer meer dan gehalveerd: van 9,9 naar 4,9, een daling van 50,3%. Daarna volgen Duiven en Oude IJsselstreek met afnames van 49,4% en 45,2%.

Deze dalingen zijn veel groter dan de landelijke afname van 27,5%, van 12,7 naar 9,2 geboorten per 1.000 inwoners. Tegelijk is de richting vrijwel overal hetzelfde: in 300 van de 303 gemeenten worden per inwoner minder kinderen geboren dan rond 2000.

De tien grootste procentuele dalingen in geboorten per 1.000 inwoners. Cijfers zijn gemiddelden per jaar. We vergelijken 2000–2002 met 2023–2025.

  • Schiermonnikoog: 71,1% daling. Van gemiddeld 11,8 naar 3,4 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • IJsselstein: 51,5% daling. Van gemiddeld 17,8 naar 8,7 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Barendrecht: 51,5% daling. Van gemiddeld 16,0 naar 7,7 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Bloemendaal: 50,3% daling. Van gemiddeld 9,9 naar 4,9 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Duiven: 49,4% daling. Van gemiddeld 15,4 naar 7,8 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Oude IJsselstreek: 45,2% daling. Van gemiddeld 13,0 naar 7,1 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Westerveld: 45,0% daling. Van gemiddeld 11,7 naar 6,4 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Zeewolde: 44,4% daling. Van gemiddeld 16,9 naar 9,4 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Heumen: 44,2% daling. Van gemiddeld 13,5 naar 7,5 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Tiel: 42,9% daling. Van gemiddeld 15,5 naar 8,9 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.

Meer geboorten per inwoner in Waddinxveen, Blaricum en Renswoude

Drie gemeenten laten een stijging zien. Waddinxveen heeft met 16,7% de sterkste toename: het jaarlijkse aantal geboorten ging er van 12,5 naar 14,6 per 1.000 inwoners. Rond 2000 lag de gemeente nog iets onder het landelijke gemiddelde, inmiddels ruim erboven.

In Blaricum nam het aantal geboorten per 1.000 inwoners toe van 8,1 naar 8,7, een stijging van 7,9%. Het totale aantal geboorten ging er van gemiddeld 75,7 naar 111 per jaar. Renswoude heeft met 2,7% een kleinere stijging per inwoner, van 15,5 naar 16,0. Daar steeg het jaarlijkse aantal geboorten van gemiddeld 63,7 naar 92,3.

De drie gemeenten met een stijging in geboorten per 1.000 inwoners, tussen 2000–2002 en 2023–2025.

  • Waddinxveen: 16,7% stijging. Van gemiddeld 12,5 naar 14,6 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Blaricum: 7,9% stijging. Van gemiddeld 8,1 naar 8,7 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Renswoude: 2,7% stijging. Van gemiddeld 15,5 naar 16,0 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.

Utrecht: 8,4% meer geboorten, maar 25,1% minder per inwoner

Waarom het uitmaakt om ook naar het aantal inwoners te kijken, is goed te zien in Utrecht. Daar worden jaarlijks gemiddeld 4.242 kinderen geboren, tegenover 3.913 rond 2000: een stijging van 8,4%. Toch daalde het aantal geboorten per 1.000 inwoners met 25,1%, van 15,1 naar 11,3. De bevolking groeide dus sterker dan het aantal geboorten.

In Barneveld gebeurde hetzelfde. Het totale aantal geboorten nam er met 13,3% toe, terwijl het jaarlijkse aantal per 1.000 inwoners daalde van 16,0 naar 14,0. Ook daar groeide het inwonertal sneller dan het aantal geboorten.

Door geboorten per 1.000 inwoners te vergelijken, houden we rekening met verschillen in bevolkingsomvang. De leeftijdsopbouw blijft wel van invloed: in een gemeente met veel ouderen worden doorgaans minder kinderen per inwoner geboren. Het cijfer zegt daardoor niet hoeveel kinderen een vrouw of gezin gemiddeld krijgt.

Hoe veranderde het totale aantal geboorten?

Ook zonder rekening te houden met het aantal inwoners is de daling groot. Jaarlijks worden in Nederland gemiddeld 165.739 kinderen geboren, tegenover 203.768 rond 2000. Dat zijn 38.029 geboorten per jaar minder, een afname van 18,7%.

Het aantal geboorten daalde niet ieder jaar. Na de 179.441 geboorten in 2021 zakte het aantal naar 164.487 in 2023, het laagste niveau sinds 2000. Daarna volgde een lichte stijging, naar 166.143 geboorten in 2024 en 166.588 in 2025. Hoewel er in 2025 dus 2.101 kinderen meer werden geboren dan in 2023, bleef het aantal onder het niveau aan het begin van de eeuw.

Waar daalde het totale aantal geboorten en waar steeg het?

Ook bij het totale aantal geboorten heeft Schiermonnikoog de grootste procentuele daling: 72,2%. Het jaarlijkse gemiddelde ging er van 12 naar 3,3. Duiven volgt met 51,2% minder geboorten, van gemiddeld 397 naar 194 per jaar.

IJsselstein staat op de derde plaats met een afname van 48,5%, gevolgd door Bloemendaal met 46,9% en Oude IJsselstreek met 46,6%. Bergen in Noord-Holland volgt daar direct achter met 46,2% minder geboorten.

In totaal tellen 287 van de 303 gemeenten minder geboorten dan rond 2000. In de overige 16 nam het aantal juist toe.

De tien grootste procentuele dalingen. Aantallen zijn gemiddelden per jaar. We vergelijken 2000–2002 met 2023–2025.

  • Schiermonnikoog: 72,2% daling. Van gemiddeld 12 naar 3,3 geboorten per jaar.
  • Duiven: 51,2% daling. Van gemiddeld 397 naar 194 geboorten per jaar.
  • IJsselstein: 48,5% daling. Van gemiddeld 561 naar 289 geboorten per jaar.
  • Bloemendaal: 46,9% daling. Van gemiddeld 220 naar 117 geboorten per jaar.
  • Oude IJsselstreek: 46,6% daling. Van gemiddeld 526 naar 281 geboorten per jaar.
  • Bergen (Noord-Holland): 46,2% daling. Van gemiddeld 284 naar 153 geboorten per jaar.
  • Doesburg: 43,6% daling. Van gemiddeld 146 naar 82,3 geboorten per jaar.
  • Heumen: 42,9% daling. Van gemiddeld 222 naar 127 geboorten per jaar.
  • Westerveld: 42,3% daling. Van gemiddeld 223 naar 129 geboorten per jaar.
  • Coevorden: 41,7% daling. Van gemiddeld 431 naar 251 geboorten per jaar.

Waddinxveen telt in totaal 49,5% meer geboorten

Waddinxveen heeft ook bij het totale aantal geboorten de grootste procentuele stijging. Het jaarlijkse gemiddelde nam er met 49,5% toe, van 335 naar 500. Blaricum volgt met een stijging van 47,1%, van gemiddeld 75,7 naar 111 geboorten per jaar. In Renswoude nam het aantal met 45,0% toe, van 63,7 naar 92,3.

Hendrik-Ido-Ambacht en Diemen maken de top vijf compleet. In Hendrik-Ido-Ambacht steeg het jaarlijkse aantal van 286 naar 348, een toename van 21,5%. Diemen ging van 284 naar 326 geboorten per jaar, 14,7% meer.

Daarna volgen Barneveld en Woudenberg. In Barneveld steeg het jaarlijkse aantal met 13,3%, van 777 naar 880, en in Woudenberg met 10,6%, van 161 naar 178. Van de zestien gemeenten met groei liggen er zes in Zuid-Holland en vier in Utrecht.

De zestien gemeenten met een stijging in het gemiddelde aantal geboorten per jaar. We vergelijken 2000–2002 met 2023–2025.

  • Waddinxveen: 49,5% stijging. Van gemiddeld 335 naar 500 geboorten per jaar.
  • Blaricum: 47,1% stijging. Van gemiddeld 75,7 naar 111 geboorten per jaar.
  • Renswoude: 45,0% stijging. Van gemiddeld 63,7 naar 92,3 geboorten per jaar.
  • Hendrik-Ido-Ambacht: 21,5% stijging. Van gemiddeld 286 naar 348 geboorten per jaar.
  • Diemen: 14,7% stijging. Van gemiddeld 284 naar 326 geboorten per jaar.
  • Barneveld: 13,3% stijging. Van gemiddeld 777 naar 880 geboorten per jaar.
  • Woudenberg: 10,6% stijging. Van gemiddeld 161 naar 178 geboorten per jaar.
  • Utrecht: 8,4% stijging. Van gemiddeld 3.913 naar 4.242 geboorten per jaar.
  • Reusel-De Mierden: 5,0% stijging. Van gemiddeld 120 naar 126 geboorten per jaar.
  • Zoeterwoude: 3,9% stijging. Van gemiddeld 104 naar 108 geboorten per jaar.
  • Neder-Betuwe: 3,1% stijging. Van gemiddeld 359 naar 370 geboorten per jaar.
  • Vijfheerenlanden: 3,1% stijging. Van gemiddeld 741 naar 763 geboorten per jaar.
  • Lansingerland: 2,4% stijging. Van gemiddeld 642 naar 658 geboorten per jaar.
  • Beverwijk: 2,2% stijging. Van gemiddeld 436 naar 446 geboorten per jaar.
  • Kaag en Braassem: 0,3% stijging. Van gemiddeld 307 naar 308 geboorten per jaar.
  • Zoetermeer: 0,2% stijging. Van gemiddeld 1.209 naar 1.211 geboorten per jaar.

Amsterdam en Rotterdam: 1.153 en 989 geboorten per jaar minder

De grootste afname in aantallen is te zien in Amsterdam en Rotterdam. Amsterdam telt gemiddeld 9.696 geboorten per jaar, tegenover 10.849 rond 2000: een afname van 1.153. In Rotterdam daalde het aantal van 7.901 naar 6.912, oftewel 989 minder per jaar. Procentueel blijven beide steden met dalingen van 10,6% en 12,5% wel onder het landelijke gemiddelde.

Leiden volgt op de derde plaats met jaarlijks gemiddeld 501 geboorten minder, een daling van 33,7%. Daarna komen Enschede en Dordrecht, waar per jaar 471 en 449 kinderen minder worden geboren.

De vijf grootste afnames in aantallen. Gemiddelden per jaar. We vergelijken 2000–2002 met 2023–2025.

  • Amsterdam: 1.153 geboorten minder per jaar. Van gemiddeld 10.849 naar 9.696 geboorten per jaar.
  • Rotterdam: 989 geboorten minder per jaar. Van gemiddeld 7.901 naar 6.912 geboorten per jaar.
  • Leiden: 501 geboorten minder per jaar. Van gemiddeld 1.487 naar 986 geboorten per jaar.
  • Enschede: 471 geboorten minder per jaar. Van gemiddeld 1.774 naar 1.303 geboorten per jaar.
  • Dordrecht: 449 geboorten minder per jaar. Van gemiddeld 1.641 naar 1.192 geboorten per jaar.

Hoe verschillen de geboortecijfers per provincie?

In alle twaalf provincies worden per 1.000 inwoners minder kinderen geboren dan rond 2000. De verschillen zijn wel groot: Drenthe heeft met 33,9% de sterkste daling, gevolgd door Fryslân met 31,7%. In Zuid-Holland is de afname met 23,6% het kleinst, tegenover 27,5% voor Nederland als geheel.

Geboorten per 1.000 inwoners per jaar, van de grootste naar de kleinste procentuele daling. We vergelijken 2000–2002 met 2023–2025.

  • Drenthe: 33,9% daling. Van gemiddeld 12,2 naar 8,1 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Fryslân: 31,7% daling. Van gemiddeld 12,6 naar 8,6 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Overijssel: 31,2% daling. Van gemiddeld 13,5 naar 9,3 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Flevoland: 30,2% daling. Van gemiddeld 15,7 naar 10,9 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Groningen: 29,7% daling. Van gemiddeld 11,5 naar 8,1 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Gelderland: 29,4% daling. Van gemiddeld 12,8 naar 9,1 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Noord-Holland: 28,1% daling. Van gemiddeld 13,0 naar 9,4 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Noord-Brabant: 28,0% daling. Van gemiddeld 12,5 naar 9,0 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Utrecht: 27,7% daling. Van gemiddeld 14,2 naar 10,3 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Limburg: 26,0% daling. Van gemiddeld 10,4 naar 7,7 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Zeeland: 25,9% daling. Van gemiddeld 11,6 naar 8,6 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Zuid-Holland: 23,6% daling. Van gemiddeld 12,7 naar 9,7 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.

Ook het totale aantal geboorten daalde in alle provincies. Drenthe en Fryslân hebben opnieuw de grootste afnames, met 29,8% en 28,5%. In Flevoland ligt het totale aantal slechts 5,4% lager dan rond 2000, de kleinste daling van alle provincies. Per inwoner is de afname er met 30,2% juist groter dan de landelijke 27,5%.

Totaal aantal geboorten, gemiddeld per jaar. De volgorde is gebaseerd op de procentuele daling van de aantallen. We vergelijken 2000–2002 met 2023–2025.

  • Drenthe: 29,8% daling. Van gemiddeld 5.809 naar 4.075 geboorten per jaar.
  • Fryslân: 28,5% daling. Van gemiddeld 7.969 naar 5.696 geboorten per jaar.
  • Limburg: 26,6% daling. Van gemiddeld 11.868 naar 8.712 geboorten per jaar.
  • Groningen: 25,6% daling. Van gemiddeld 6.553 naar 4.874 geboorten per jaar.
  • Overijssel: 24,7% daling. Van gemiddeld 14.716 naar 11.079 geboorten per jaar.
  • Zeeland: 22,6% daling. Van gemiddeld 4.351 naar 3.368 geboorten per jaar.
  • Gelderland: 21,7% daling. Van gemiddeld 24.941 naar 19.535 geboorten per jaar.
  • Noord-Brabant: 19,8% daling. Van gemiddeld 29.660 naar 23.793 geboorten per jaar.
  • Noord-Holland: 15,9% daling. Van gemiddeld 33.173 naar 27.894 geboorten per jaar.
  • Utrecht: 13,2% daling. Van gemiddeld 16.590 naar 14.406 geboorten per jaar.
  • Zuid-Holland: 12,9% daling. Van gemiddeld 42.892 naar 37.345 geboorten per jaar.
  • Flevoland: 5,4% daling. Van gemiddeld 5.247 naar 4.962 geboorten per jaar.

Drenthe: 33,9% minder geboorten per inwoner, tegenover 27,5% landelijk

Drenthe heeft de grootste provinciale daling in het aantal geboorten per inwoner. Het jaarlijkse gemiddelde ging van 12,2 naar 8,1 geboorten per 1.000 inwoners, een afname van 33,9%.

Grootste dalingen per inwoner in Westerveld en Coevorden

Westerveld heeft met 45,0% de grootste daling: het aantal geboorten ging van 11,7 naar 6,4 per 1.000 inwoners. Coevorden volgt met een afname van 42,1%, van 12,1 naar 7,0. Samen met Aa en Hunze, waar het cijfer met 40,5% terugliep van 11,4 naar 6,8, vormen zij de drie sterkste dalers van de provincie.

In Tynaarlo en Emmen is de daling het kleinst, al gaat het ook daar om 27,1% en 28,0% minder geboorten per inwoner. Tynaarlo ging van 10,6 naar 7,7 geboorten per 1.000 inwoners, terwijl Emmen van 12,0 naar 8,6 ging.

Drenthe telt 29,8% minder geboorten

Ook het totale aantal geboorten daalde in Drenthe procentueel sterker dan in alle andere provincies: van gemiddeld 5.809 naar 4.075 per jaar. Die afname van 29,8% ligt boven de landelijke 18,7%, en dat geldt ook voor elk van de twaalf Drentse gemeenten afzonderlijk. In tien gemeenten bedraagt de daling minstens 25%.

Westerveld heeft opnieuw de grootste procentuele daling, nu met 42,3%: van gemiddeld 223 naar 129 geboorten per jaar. Daarna volgen Coevorden, waar het aantal met 41,7% terugliep van 431 naar 251, en Aa en Hunze, dat met een afname van 39,1% van 289 naar 176 ging.

Meppel en Tynaarlo hebben de kleinste dalingen in het totale aantal geboorten. In Meppel ging het gemiddelde met 19,7% omlaag, van 417 naar 335 per jaar; in Tynaarlo met 20,0%, van 337 naar 269.

Emmen telt jaarlijks 345 geboorten minder

De grootste afname in aantallen ligt in Emmen, waar het jaarlijkse gemiddelde van 1.288 naar 943 geboorten ging. Dat zijn 345 geboorten minder per jaar, een daling van 26,8%. Ook Assen en Hoogeveen tellen minder geboorten: in Assen liep het gemiddelde met 25,7% terug van 816 naar 606 en in Hoogeveen met 29,1%, van 675 naar 479.

Flevoland: 30,2% minder geboorten per inwoner, tegenover 27,5% landelijk

Het jaarlijkse aantal geboorten in Flevoland ging van 15,7 naar 10,9 per 1.000 inwoners. Daarmee is de daling van 30,2% groter dan de landelijke 27,5%.

Grootste daling per inwoner in Zeewolde, kleinste in Lelystad

Zeewolde heeft met 44,4% de grootste daling per inwoner: van 16,9 naar 9,4 geboorten per 1.000 inwoners. Almere volgt met een afname van 32,8%, van 16,6 naar 11,1. In Dronten is de daling met 31,6% iets kleiner; daar ging het aantal van 13,4 naar 9,1 per 1.000 inwoners.

In Noordoostpolder daalde het aantal geboorten per inwoner met 27,8%, van 14,8 naar 10,7 per 1.000 inwoners. Lelystad heeft de kleinste daling, maar ook daar ging het aantal met 22,3% omlaag: van 13,2 naar 10,2.

Flevoland telt 5,4% minder geboorten

Bij het totale aantal geboorten is de afname veel kleiner: Flevoland telt 5,4% minder geboorten en heeft daarmee de kleinste daling van alle provincies. Het jaarlijkse gemiddelde ging van 5.247 naar 4.962.

Zeewolde heeft ook in het totale aantal geboorten de grootste procentuele daling: het jaarlijkse gemiddelde ging met 28,1% omlaag, van 316 naar 227. Daarna volgen Noordoostpolder, met een afname van 16,9%, van 652 naar 542 geboorten, en Dronten met 15,4% minder geboorten, van 482 naar 408. Deze twee gemeenten blijven, net als Almere en Lelystad, onder de landelijke daling van 18,7%.

In Almere bleef het totale aantal geboorten met een daling van 0,8% veel dichter bij het eerdere gemiddelde: van 2.560 naar 2.539 per jaar. Voor Lelystad is het verschil nog kleiner: de afname bedraagt 0,1%, waardoor het gemiddelde in beide perioden afgerond op 865 geboorten per jaar uitkomt.

Fryslân: 31,7% minder geboorten per inwoner, tegenover 27,5% landelijk

Fryslân telt jaarlijks 8,6 geboorten per 1.000 inwoners, tegenover 12,6 rond de eeuwwisseling. Die afname van 31,7% is na Drenthe de grootste van alle provincies.

Schiermonnikoog telt 71,1% minder geboorten per inwoner

De grootste daling per inwoner ligt op Schiermonnikoog: van 11,8 naar 3,4 geboorten per 1.000 inwoners, een afname van 71,1%. Daarbij gaat het om kleine aantallen: het totaal in drie jaar daalde van 36 naar 10 geboorten, gemiddeld van 12 naar 3,3 per jaar.

Daarna volgen Ooststellingwerf, waar het aantal geboorten per 1.000 inwoners met 36,5% daalde van 12,0 naar 7,6, en Opsterland met een afname van 35,3%, van 12,6 naar 8,2. Harlingen en Vlieland hebben iets kleinere dalingen: in Harlingen ging het aantal met 33,9% omlaag, van 11,7 naar 7,7 per 1.000 inwoners, en op Vlieland met 33,7%, van 12,2 naar 8,1.

Terschelling heeft met 18,1% de kleinste daling per inwoner: van 9,5 naar 7,8 geboorten per 1.000 inwoners. Ameland volgt met een afname van 24,3%, van 11,7 naar 8,9. In Dantumadiel en Smallingerland daalde het aantal afgerond met 27,1%, in beide gemeenten van jaarlijks 12,6 naar 9,2 geboorten per 1.000 inwoners.

Noardeast-Fryslân telt jaarlijks 214 geboorten minder

Ook het totale aantal geboorten daalde in Fryslân na Drenthe het sterkst: van gemiddeld 7.969 naar 5.696 per jaar, een afname van 28,5%. Dertien Friese gemeenten tellen minder geboorten. In elf daarvan is de daling groter dan de landelijke 18,7% en in tien ging het aantal met minstens 25% omlaag.

Schiermonnikoog heeft ook in het totale aantal geboorten de grootste procentuele afname, met 72,2%. Ooststellingwerf volgt met een daling van 37,8%, van gemiddeld 316 naar 197 geboorten per jaar. Noardeast-Fryslân staat procentueel op de derde plaats: het aantal daalde met 34,7%, van 616 naar 402. Dat betekent gemiddeld 214 geboorten minder per jaar, de grootste afname in aantallen.

Opsterland volgt op de vierde plaats, met een daling van 32,6%, van gemiddeld 364 naar 246 geboorten per jaar. Op Vlieland is de afname met 31,8% iets kleiner: daar daalde het aantal geboorten in drie jaar van 44 naar 30, gemiddeld van 14,7 naar 10 per jaar.

Kleinste afname in totale geboorten op Terschelling en Ameland

Terschelling heeft met 15,6% de kleinste daling in het totale aantal geboorten: van gemiddeld 45 naar 38 per jaar. Ameland volgt met een afname van 18,4%, van 42 naar 34. Beide eilanden blijven daarmee onder de landelijke daling.

Op het Friese vasteland is de afname in Smallingerland met 22,2% het kleinst: het jaarlijkse gemiddelde ging van 668 naar 520. Weststellingwerf en Harlingen kennen grotere dalingen. In Weststellingwerf ging het aantal met 25,1% omlaag, van 299 naar 224, en in Harlingen met 30,8%, van 182 naar 126.

Gelderland: 29,4% minder geboorten per inwoner, tegenover 27,5% landelijk

Het jaarlijkse aantal geboorten in Gelderland ging van 12,8 naar 9,1 per 1.000 inwoners. Dat is een daling van 29,4% sinds de eeuwwisseling.

Grootste daling per inwoner in Duiven, kleinste in Neder-Betuwe

Duiven heeft de grootste afname per inwoner: het aantal geboorten daalde van 15,4 naar 7,8 per 1.000 inwoners, een verschil van 49,4%. Daarna volgen Oude IJsselstreek, met een daling van 45,2%, van 13,0 naar 7,1, en Heumen, waar het cijfer met 44,2% terugliep van 13,5 naar 7,5.

In Lochem en Montferland ligt het aantal geboorten per inwoner eveneens lager. In Lochem daalde het met 39,5%, van 10,5 naar 6,4 per 1.000 inwoners, en in Montferland met 32,1%, van 11,9 naar 8,1.

Neder-Betuwe heeft met 11,3% de kleinste daling per inwoner: van 16,2 naar 14,4 geboorten per 1.000 inwoners. Barneveld en Nunspeet volgen met afnames van 12,4% en 12,8%. In Barneveld ging het aantal van 16,0 naar 14,0 per 1.000 inwoners, in Nunspeet van 13,4 naar 11,7.

Barneveld en Neder-Betuwe tellen meer geboorten

Het totale aantal geboorten in Gelderland liep met 21,7% terug, van gemiddeld 24.941 naar 19.535 per jaar. Terwijl 46 gemeenten minder geboorten tellen, nam het aantal in Barneveld en Neder-Betuwe juist toe. In Barneveld steeg het jaarlijkse gemiddelde met 13,3%, van 777 naar 880, en in Neder-Betuwe met 3,1%, van 359 naar 370. Beide gemeenten tellen dus meer geboorten in totaal, terwijl het aantal per inwoner afneemt.

Duiven heeft ook in het totale aantal geboorten de grootste procentuele daling: 51,2%, van gemiddeld 397 naar 194 per jaar. In Oude IJsselstreek ging het aantal met 46,6% omlaag, van 526 naar 281, gevolgd door Doesburg met 43,6%, van 146 naar 82. Ook Heumen telt aanzienlijk minder geboorten: met een afname van 42,9% ging het gemiddelde van 222 naar 127 per jaar.

Ook Lochem en Montferland tellen minder geboorten. In Lochem daalde het jaarlijkse gemiddelde met 36,4%, van 343 naar 218; in Montferland met 28,4%, van 418 naar 299.

In Rozendaal is de daling per inwoner groter dan die van het totale aantal geboorten. Per 1.000 inwoners ging het aantal met 21,8% omlaag, van 8,4 naar 6,6. Het totale aantal geboorten in drie jaar daalde met 5,3%, van 38 naar 36, gemiddeld van 12,7 naar 12 per jaar.

Nijmegen telt meer geboorten dan Arnhem

Nijmegen telt inmiddels meer geboorten dan Arnhem, terwijl dat rond de eeuwwisseling andersom was. In beide steden daalde het jaarlijkse aantal, maar de afname in Nijmegen bleef beperkt tot 3,6%: van 1.799 naar 1.734. In Arnhem daalde het aantal met 13,2%, van 1.857 naar 1.612 geboorten per jaar.

Apeldoorn heeft de grootste afname in aantallen, met een daling van 1.882 naar 1.461 geboorten per jaar, oftewel 22,3%. Ede heeft juist de kleinste procentuele afname in het totale aantal geboorten: daar ging het gemiddelde met 2,7% omlaag, van 1.443 naar 1.404.

Groningen: 29,7% minder geboorten per inwoner, tegenover 27,5% landelijk

In Groningen ging het jaarlijkse aantal geboorten per 1.000 inwoners van 11,5 naar 8,1. De afname van 29,7% is groter dan de landelijke 27,5%.

Grootste daling per inwoner in Westerwolde, kleinste in Eemsdelta

Westerwolde heeft met 34,4% de grootste daling per inwoner: van 9,9 naar 6,5 geboorten per 1.000 inwoners. Veendam volgt met een afname van 34,2%, van 11,8 naar 7,7. In Stadskanaal is de daling met 30,1% kleiner; daar ging het cijfer van 11,1 naar 7,8.

De kleinste dalingen liggen in Eemsdelta en Oldambt, al gaat het ook daar om 22,6% en 25,0% minder geboorten per inwoner. Eemsdelta ging van 11,0 naar 8,5 geboorten per 1.000 inwoners, terwijl Oldambt van 10,6 naar 8,0 ging.

In de gemeente Groningen daalde het aantal geboorten per 1.000 inwoners met 29,3%, van 11,1 naar 7,9. Daarmee is de afname iets kleiner dan die van de provincie als geheel.

Veendam telt 35,7% minder geboorten

Het totale aantal geboorten in de provincie Groningen daalde met 25,6%, van gemiddeld 6.553 naar 4.874 per jaar. Zeven Groningse gemeenten tellen minder geboorten; in zes daarvan ging het aantal met minstens 25% omlaag.

Veendam heeft de grootste procentuele daling in het totale aantal geboorten: 35,7%, van gemiddeld 333 naar 214 per jaar. Eemsdelta volgt met een afname van 33,6%, van 575 naar 382. Dat zijn gemiddeld 193 geboorten minder per jaar, na Groningen de grootste afname in aantallen. Ook in Pekela ligt het aantal aanzienlijk lager: het gemiddelde ging met 33,5% omlaag, van 154 naar 103.

Groningen heeft de kleinste procentuele daling in totale geboorten

De gemeente Groningen heeft met 14,5% de kleinste procentuele daling in het totale aantal geboorten: het jaarlijkse gemiddelde ging van 2.242 naar 1.917. Tegelijk is de afname in aantallen hier het grootst. De procentuele daling blijft daarmee onder de landelijke 18,7%.

Oldambt volgt met een afname van 26,1%, van 426 naar 315 geboorten per jaar. In Stadskanaal en Westerwolde is het verschil groter: in Stadskanaal daalde het aantal met 33,1%, van 373 naar 249 geboorten, en in Westerwolde met 33,4%, van 260 naar 173.

Limburg: 26,0% minder geboorten per inwoner, tegenover 27,5% landelijk

Limburg telt jaarlijks 7,7 geboorten per 1.000 inwoners, tegenover 10,4 rond de eeuwwisseling. De afname van 26,0% is kleiner dan de landelijke daling van 27,5%.

Grootste daling per inwoner in Mook en Middelaar

Mook en Middelaar heeft met 41,0% de grootste daling per inwoner: van 11,4 naar 6,7 geboorten per 1.000 inwoners. Het totale aantal geboorten in drie jaar daalde van 272 naar 164, gemiddeld van 91 naar 55 per jaar.

Daarna volgen Bergen, waar het aantal geboorten per 1.000 inwoners met 39,1% daalde van 11,5 naar 7,0, en Gennep met een afname van 38,4%, van 11,2 naar 6,9. In Beesel is de daling met 34,2% kleiner: daar ging het aantal van 12,6 naar 8,3 per 1.000 inwoners.

Ook Vaals telt minder geboorten per inwoner: van 7,4 naar 5,0 per 1.000, een daling van 32,9%. Het totale aantal geboorten nam er met 37,1% af, van gemiddeld 80 naar 50 per jaar.

In Kerkrade is de daling met 8,5% het kleinst: het aantal geboorten per 1.000 inwoners ging van 7,9 naar 7,2. Daarna volgt Eijsden-Margraten, waar het cijfer met 14,9% omlaagging van 10,4 naar 8,9.

Bergen telt 40,8% minder geboorten, Gulpen-Wittem 40,1%

Het totale aantal geboorten in Limburg liep met 26,6% terug, van gemiddeld 11.868 naar 8.712 per jaar. Alleen Drenthe en Fryslân hebben een grotere provinciale daling. In 29 Limburgse gemeenten ligt het aantal lager; achttien daarvan tellen minstens 25% minder geboorten.

Bij het totale aantal geboorten heeft Bergen de grootste procentuele daling: het jaarlijkse gemiddelde ging met 40,8% omlaag, van 155 naar 92. Gulpen-Wittem volgt met een afname van 40,1%, van 142 naar 85. Mook en Middelaar staat met 39,7% minder geboorten op de derde plaats, gevolgd door Valkenburg aan de Geul met 38,7%, van 158 naar 97.

De kleinste dalingen liggen in Roermond en Eijsden-Margraten. Roermond telt met 543 tegenover 621 geboorten per jaar een afname van 12,5%, terwijl Eijsden-Margraten met 13,6% minder geboorten van 269 naar 232 ging.

Maastricht gaat van 1.150 naar 798 geboorten per jaar

Maastricht heeft de grootste afname in aantallen: het jaarlijkse gemiddelde ging van 1.150 naar 798 geboorten, een daling van 30,6%. Ook Sittard-Geleen en Heerlen tellen minder geboorten. In Sittard-Geleen ging het aantal met 28,7% omlaag, van 996 naar 710, en in Heerlen met 25,3%, van 935 naar 699. Venlo heeft met een afname van 21,0%, van 1.110 naar 877 geboorten, een kleinere daling, maar ligt daarmee nog steeds boven de landelijke 18,7%.

Noord-Brabant: 28,0% minder geboorten per inwoner, tegenover 27,5% landelijk

Het jaarlijkse aantal geboorten in Noord-Brabant ging van 12,5 naar 9,0 per 1.000 inwoners. De afname van 28,0% ligt dicht bij de landelijke 27,5%.

Grootste daling per inwoner in Alphen-Chaam, kleinste in Reusel-De Mierden

Alphen-Chaam heeft met 38,4% de grootste daling per inwoner: van 12,7 naar 7,8 geboorten per 1.000 inwoners. Helmond volgt met een afname van 37,4%, van 14,9 naar 9,3, en Meierijstad met 34,4%, van 13,8 naar 9,1.

De kleinste afname ligt in Reusel-De Mierden, waar het aantal geboorten per 1.000 inwoners met 4,2% terugliep van 9,6 naar 9,2. Eersel volgt met een daling van 12,6%, van 10,2 naar 8,9.

In Baarle-Nassau daalde het aantal geboorten per 1.000 inwoners met 16,0%, van 9,8 naar 8,3. Het totale aantal geboorten in drie jaar daalde minder sterk, met 5,9%: van 188 naar 177, gemiddeld van 63 naar 59 per jaar.

Reusel-De Mierden telt 5,0% meer geboorten

Het totale aantal geboorten in Noord-Brabant daalde van gemiddeld 29.660 naar 23.793 per jaar. Die afname van 19,8% ligt dicht bij de landelijke 18,7%. Terwijl 49 Brabantse gemeenten minder geboorten tellen, nam het aantal in Reusel-De Mierden juist toe: van 120 naar 126 per jaar, een stijging van 5,0%. Een hoger totaal gaat hier dus samen met minder geboorten per inwoner.

Alphen-Chaam heeft ook in het totale aantal geboorten de grootste procentuele daling: het gemiddelde ging met 31,7% omlaag, van 120 naar 82 per jaar. Daarna volgen Moerdijk, met een afname van 30,0%, van 463 naar 324, en Roosendaal, waar het aantal met 28,9% terugliep van 912 naar 648. Eersel heeft juist de kleinste daling: 3,4%, van 188 naar 181 geboorten per jaar.

In Eindhoven daalt het totale aantal geboorten minder sterk

In Eindhoven daalde het totale aantal geboorten met 11,9%, van 2.499 naar 2.201 per jaar. Daarmee is de afname kleiner dan in Breda en Helmond. Breda heeft de grootste afname in aantallen: het gemiddelde daalde met 18,8%, van 2.087 naar 1.694 geboorten. In Helmond liep het gemiddelde met 26,6% terug, van 1.219 naar 895.

Noord-Holland: 28,1% minder geboorten per inwoner, tegenover 27,5% landelijk

In Noord-Holland ging het jaarlijkse aantal geboorten van 13,0 naar 9,4 per 1.000 inwoners. Dat is een afname van 28,1% sinds de eeuwwisseling.

Grootste daling per inwoner in Bloemendaal, stijging in Blaricum

Bloemendaal heeft met 50,3% de grootste daling per inwoner: het aantal geboorten ging van 9,9 naar 4,9 per 1.000 inwoners. Oostzaan en Bergen volgen met dalingen van 42,8% en 42,7%. In Oostzaan ging het cijfer van 12,8 naar 7,3, terwijl Bergen van 8,9 naar 5,1 ging.

Blaricum telt juist meer geboorten per inwoner: van 8,1 naar 8,7 per 1.000 inwoners, een stijging van 7,9%. Het totale aantal geboorten in drie jaar steeg er van 227 naar 334.

Beverwijk en Diemen hebben de kleinste dalingen per inwoner. In Beverwijk ging het aantal met 14,4% omlaag, van 12,1 naar 10,4 geboorten per 1.000 inwoners, en in Diemen met 17,1%, van 11,9 naar 9,9.

Blaricum, Diemen en Beverwijk tellen meer geboorten

Het totale aantal geboorten in Noord-Holland daalde met 15,9%, van gemiddeld 33.173 naar 27.894 per jaar. In 40 gemeenten nam het aantal af, maar drie gemeenten tellen juist meer geboorten. Blaricum heeft met 47,1% de grootste stijging van de provincie en staat landelijk op de tweede plaats: het jaarlijkse gemiddelde ging van 76 naar 111.

Ook Diemen en Beverwijk tellen meer geboorten. In Diemen steeg het jaarlijkse gemiddelde met 14,7%, van 284 naar 326, en in Beverwijk met 2,2%, van 436 naar 446. Deze twee gemeenten tellen dus meer geboorten in totaal, terwijl de aantallen per inwoner afnemen.

Bloemendaal heeft ook in het totale aantal geboorten de grootste procentuele daling: van 220 naar 117 per jaar, een afname van 46,9%. Bergen volgt met een daling van 46,2%, van 284 naar 153. Bloemendaal staat daarmee landelijk op de vierde plaats, Bergen op de zesde. Laren staat in Noord-Holland op de derde plaats, met 38,2% minder geboorten: van 112 naar 69 per jaar.

In Landsmeer daalde het jaarlijkse aantal geboorten met 18,4%, van gemiddeld 98 naar 80. Per inwoner is de afname groter: het aantal ging met 28,3% omlaag, van 9,5 naar 6,8 geboorten per 1.000 inwoners.

Amsterdam telt jaarlijks 1.153 geboorten minder

Amsterdam heeft een kleinere procentuele daling, maar de grootste afname in aantallen: van gemiddeld 10.849 naar 9.696 geboorten per jaar. Dat zijn 1.153 geboorten minder, een afname van 10,6%.

Zaanstad heeft met 8,9% de kleinste procentuele daling in het totale aantal geboorten: het jaarlijkse gemiddelde ging van 1.760 naar 1.603. Ook in Haarlem en Haarlemmermeer ligt het aantal lager. In Haarlem ging het met 9,5% omlaag, van 1.922 naar 1.740, en in Haarlemmermeer met 13,9%, van 1.687 naar 1.452. Net als Amsterdam blijven deze gemeenten onder de landelijke afname van 18,7%.

Overijssel: 31,2% minder geboorten per inwoner, tegenover 27,5% landelijk

Overijssel telt jaarlijks 9,3 geboorten per 1.000 inwoners, tegenover 13,5 rond de eeuwwisseling. De daling van 31,2% is na Drenthe en Fryslân de grootste van alle provincies.

Grootste daling per inwoner in Haaksbergen, kleinste in Zwolle

Haaksbergen heeft met 38,1% de grootste daling per inwoner: van 12,6 naar 7,8 geboorten per 1.000 inwoners. De afname in Olst-Wijhe is met 38,0% vrijwel even groot; daar ging het aantal van 13,7 naar 8,5. Steenwijkerland staat op de derde plaats met een daling van 35,9%, van 13,1 naar 8,4.

Losser volgt met 35,4% minder geboorten per inwoner, van 12,2 naar 7,9 per 1.000 inwoners. In Zwartewaterland ging het aantal met 31,6% omlaag, van 17,4 naar 11,9.

In Zwolle is de daling met 25,7% het kleinst: het aantal geboorten per 1.000 inwoners ging van 14,3 naar 10,6. Daarna volgen Kampen, met een afname van 28,3%, van 15,2 naar 10,9, en Wierden met een daling van 29,2%, van 13,3 naar 9,4.

Zwolle telt inmiddels meer geboorten dan Enschede

Rond de eeuwwisseling telde Enschede gemiddeld 1.774 geboorten per jaar en Zwolle 1.542. Inmiddels is die volgorde omgedraaid: Zwolle komt uit op 1.414 en Enschede op 1.303. Beide steden tellen minder geboorten, maar in Zwolle bleef de daling beperkt tot 8,3%, tegenover 26,6% in Enschede. Zwolle heeft daarmee ook de kleinste procentuele afname in het totale aantal geboorten.

In heel Overijssel ging het jaarlijkse gemiddelde van 14.716 naar 11.079 geboorten, een daling van 24,7%. Achttien gemeenten tellen minder geboorten, waarbij Haaksbergen met 37,6% de grootste procentuele afname heeft: van 304 naar 190 per jaar. Daarna volgen Losser, met een daling van 33,3%, van 276 naar 184, en Olst-Wijhe met 31,0%, van 233 naar 161.

Steenwijkerland telt met 29,7% eveneens aanzienlijk minder geboorten: het jaarlijkse gemiddelde ging van 544 naar 383. In Zwartewaterland daalde het aantal met 27,1%, van 384 naar 280 geboorten per jaar.

Ook Hengelo en Deventer tellen minder geboorten

In Hengelo daalde het totale aantal geboorten sterker dan landelijk: van 1.082 naar 748 per jaar, een afname van 30,9%. Ook Deventer telt minder geboorten, met een daling van 23,2%, van 1.261 naar 968.

Kampen heeft na Zwolle de kleinste procentuele afname: het jaarlijkse gemiddelde ging met 16,2% omlaag, van 734 naar 615 geboorten. Staphorst volgt met een daling van 19,2%, van 281 naar 227.

Utrecht: 27,7% minder geboorten per inwoner, tegenover 27,5% landelijk

In de provincie Utrecht ging het jaarlijkse aantal geboorten van 14,2 naar 10,3 per 1.000 inwoners. Sinds de eeuwwisseling is dat een afname van 27,7%.

Grootste daling per inwoner in IJsselstein, stijging in Renswoude

IJsselstein heeft met 51,5% de grootste daling per inwoner: van 17,8 naar 8,7 geboorten per 1.000 inwoners. Montfoort volgt met een afname van 40,7%, van 15,7 naar 9,3. In Eemnes is de daling met 39,9% iets kleiner; daar ging het cijfer van 14,2 naar 8,5.

Renswoude telt juist meer geboorten per inwoner: het aantal ging met 2,7% omhoog, van 15,5 naar 16,0 per 1.000 inwoners. Het totale aantal geboorten in drie jaar steeg er van 191 naar 277.

De kleinste afname ligt in Vijfheerenlanden, waar het aantal geboorten per 1.000 inwoners met 10,3% terugliep van 13,7 naar 12,3. Daarna volgt Woudenberg met een daling van 17,1%, van 14,6 naar 12,1.

Renswoude telt 45,0% meer geboorten

Het totale aantal geboorten in de provincie Utrecht daalde met 13,2%, van gemiddeld 16.590 naar 14.406 per jaar. Toch zijn er vier gemeenten waar het aantal toenam. Renswoude heeft met 45,0% de grootste procentuele stijging van de provincie en staat landelijk op de derde plaats: het jaarlijkse gemiddelde ging van 64 naar 92 geboorten.

Woudenberg volgt met een stijging van 10,6%, van 161 naar 178 geboorten per jaar. In de stad Utrecht ging het gemiddelde met 8,4% omhoog, van 3.913 naar 4.242, en in Vijfheerenlanden met 3,1%, van 741 naar 763.

Twintig gemeenten tellen minder geboorten. IJsselstein heeft de grootste procentuele daling van de provincie en staat landelijk op de derde plaats: het jaarlijkse gemiddelde ging met 48,5% omlaag, van 561 naar 289. Daarna volgen Montfoort, met een afname van 38,3%, van 209 naar 129, en Wijk bij Duurstede met 37,8%, van 326 naar 203.

Amersfoort telt jaarlijks 387 geboorten minder

Amersfoort heeft de grootste afname in aantallen: het jaarlijkse gemiddelde daalde van 2.125 naar 1.738 geboorten. Dat zijn 387 geboorten minder per jaar, een afname van 18,2%.

Ook in Veenendaal en Nieuwegein ligt het aantal lager. In Veenendaal daalde het aantal met 15,3%, van 952 naar 807 geboorten, en in Nieuwegein met 12,2%, van 820 naar 720. In Houten is de procentuele afname het kleinst: het gemiddelde liep met 3,1% terug, van 508 naar 492 per jaar.

Zeeland: 25,9% minder geboorten per inwoner, tegenover 27,5% landelijk

In Zeeland ging het jaarlijkse aantal geboorten van 11,6 naar 8,6 per 1.000 inwoners. De afname van 25,9% is na Zuid-Holland de kleinste van alle provincies.

Grootste daling per inwoner in Noord-Beveland

Noord-Beveland heeft met 34,9% de grootste daling per inwoner: van 10,5 naar 6,8 geboorten per 1.000 inwoners. Het totale aantal geboorten in drie jaar daalde van 220 naar 163.

Hulst volgt met een afname van 32,8%, van 10,0 naar 6,7 geboorten per 1.000 inwoners. Daarna komen Borsele, met een daling van 31,5%, van 13,8 naar 9,5, en Kapelle met 29,3%, van 12,8 naar 9,1.

Sluis en Tholen hebben de kleinste dalingen per inwoner. In Sluis ging het cijfer met 20,0% omlaag, van 8,9 naar 7,1 geboorten per 1.000 inwoners, en in Tholen met 21,3%, van 14,4 naar 11,3.

Hulst telt 33,7% minder geboorten

Het totale aantal geboorten in Zeeland daalde met 22,6%, van gemiddeld 4.351 naar 3.368 per jaar. Daarmee is de afname groter dan de landelijke 18,7%. Dertien Zeeuwse gemeenten tellen minder geboorten.

Bij het totale aantal geboorten heeft Hulst de grootste procentuele daling: van gemiddeld 277 naar 184 per jaar, een afname van 33,7%. Borsele volgt met 28,3% minder geboorten, van 306 naar 219. In Veere is de daling met 28,0% iets kleiner; daar ging het gemiddelde van 246 naar 177.

In Noord-Beveland nam het totale aantal geboorten met 25,9% af, van gemiddeld 73 naar 54 per jaar. De grootste afname in aantallen ligt in Terneuzen, waar het jaarlijkse gemiddelde met 25,5% terugliep van 626 naar 466 geboorten. Ook Vlissingen telt minder geboorten: het aantal ging met 26,2% omlaag, van 469 naar 346 per jaar.

Tholen en Reimerswaal tellen 11,1% en 14,3% minder geboorten

Tholen heeft de kleinste procentuele afname in het totale aantal geboorten: het gemiddelde daalde met 11,1%, van 343 naar 305 per jaar. Ook in Reimerswaal is de daling kleiner dan landelijk, met een afname van 14,3%, van 325 naar 279. Middelburg en Goes volgen met dalingen van 17,6% en 17,9%: Middelburg ging van 544 naar 448 geboorten en Goes van 404 naar 332. Samen hebben deze vier gemeenten de kleinste procentuele dalingen.

Zuid-Holland: 23,6% minder geboorten per inwoner, tegenover 27,5% landelijk

Zuid-Holland heeft met 23,6% de kleinste provinciale daling in geboorten per inwoner. Het jaarlijkse aantal ging van 12,7 naar 9,7 per 1.000 inwoners, maar de verschillen tussen gemeenten zijn groot.

Geboorten per inwoner dalen in Barendrecht en stijgen in Waddinxveen

Barendrecht heeft de grootste daling per inwoner: het aantal geboorten ging met 51,5% omlaag, van 16,0 naar 7,7 per 1.000 inwoners. Waddinxveen telt juist 16,7% meer geboorten per inwoner, van 12,5 naar 14,6. Na Barendrecht hebben Leiden en Lansingerland de grootste dalingen. In Leiden ging het cijfer met 40,1% omlaag, van 12,7 naar 7,6, en in Lansingerland met 36,4%, van 15,7 naar 10,0.

Albrandswaard volgt op de vierde plaats met een daling van 34,4%: van 12,6 naar 8,3 geboorten per 1.000 inwoners. In Teylingen ging het aantal per inwoner met 31,7% omlaag, van 13,7 naar 9,3 per 1.000 inwoners.

De kleinste dalingen liggen in Vlaardingen en Zoeterwoude. In Vlaardingen daalde het cijfer met 8,1%, van 10,8 naar 10,0 geboorten per 1.000 inwoners, en in Zoeterwoude met 9,4%, van 12,0 naar 10,8.

Zes gemeenten tellen meer geboorten, met de grootste stijging in Waddinxveen

Het totale aantal geboorten in Zuid-Holland daalde van gemiddeld 42.892 naar 37.345 per jaar. Die afname van 12,9% is na Flevoland de kleinste van alle provincies. Zes gemeenten tellen meer geboorten, terwijl het aantal in 35 gemeenten afnam. Leiden heeft met 33,7% de grootste procentuele daling, van 1.487 naar 986 per jaar. Daarna volgen Dordrecht, met een afname van 27,4%, van 1.641 naar 1.192, en Barendrecht met 27,1%, van 517 naar 377.

Albrandswaard heeft juist de kleinste procentuele daling in het totale aantal geboorten: het jaarlijkse gemiddelde ging met 2,2% omlaag, van 224 naar 219. Die afname is veel kleiner dan de daling per inwoner. In Teylingen daalde het totale aantal geboorten met 22,7%, van gemiddeld 465 naar 359 per jaar.

Waddinxveen heeft ook landelijk de grootste procentuele stijging: het jaarlijkse gemiddelde nam met 49,5% toe, van 335 naar 500 geboorten. Hendrik-Ido-Ambacht staat met een stijging van 21,5% op de vierde plaats in de landelijke ranglijst: daar ging het gemiddelde van 286 naar 348 geboorten per jaar.

In de vier andere gemeenten die meer geboorten tellen, is de stijging kleiner. In Zoeterwoude nam het jaarlijkse aantal geboorten toe met 3,9%, van 104 naar 108, en in Lansingerland met 2,4%, van 642 naar 658. In Kaag en Braassem en Zoetermeer ligt het gemiddelde dichter bij het eerdere aantal: in Kaag en Braassem steeg het aantal met 0,3%, van 307 naar 308, en in Zoetermeer met 0,2%, van 1.209 naar 1.211.

Rotterdam telt jaarlijks 989 geboorten minder

Rotterdam heeft de grootste afname in aantallen: het jaarlijkse gemiddelde ging van 7.901 naar 6.912 geboorten. Dat zijn 989 geboorten minder, een daling van 12,5%. Ter vergelijking: Leiden telt gemiddeld 501 geboorten minder per jaar en Dordrecht 449. Ook in Gouda ligt het aantal lager: het gemiddelde daalde met 22,3%, van 1.068 naar 830 geboorten.

Waar werden in 2023–2025 de meeste kinderen per 1.000 inwoners geboren?

Op Urk werden van 2023 tot en met 2025 jaarlijks gemiddeld 17,3 kinderen per 1.000 inwoners geboren, tegenover 9,2 landelijk. Daarmee heeft Urk het hoogste geboortecijfer. Renswoude volgt met 16,0, bij gemiddeld 92,3 geboorten per jaar. Ook Waddinxveen en Neder-Betuwe liggen ruim boven het landelijke gemiddelde, met 14,6 en 14,4 geboorten per 1.000 inwoners. Daarna komen Barneveld met 14,0 en Scherpenzeel met 13,1.

Schiermonnikoog heeft het laagste geboortecijfer: 3,4 per 1.000 inwoners. Het gaat om gemiddeld 3,3 geboorten per jaar, tien in totaal over deze drie jaren. Bloemendaal volgt met 4,9 geboorten per 1.000 inwoners. Vaals komt uit op 5,0, bij een jaarlijks gemiddelde van 50,3 geboorten. Daarna volgen Bergen in Noord-Holland met 5,1 en Wassenaar met 5,7 per 1.000 inwoners.

Waar is het aandeel gezinnen met drie of meer thuiswonende kinderen het hoogst?

Urk staat ook bovenaan als we kijken naar grotere gezinnen. Van de 3.878 huishoudens met thuiswonende kinderen hebben er 1.731 minstens drie: 44,6%. Dat is aanzienlijk meer dan de landelijke 15,5%. Staphorst volgt met 39,6% en Barneveld met 30,1%. Deze cijfers geven de situatie op 1 januari 2026 weer.

Ook in Neder-Betuwe en Reimerswaal wonen relatief veel gezinnen met minstens drie thuiswonende kinderen. Daar gaat het om 29,9% en 29,2% van de huishoudens met kinderen, gevolgd door Zwartewaterland met 27,2% en Rijssen-Holten met 27,1%. De laagste aandelen zijn te vinden in Limburg: Stein komt uit op 8,3% en Simpelveld op 8,9%.

De tien hoogste aandelen huishoudens met drie of meer thuiswonende kinderen op 1 januari 2026. Het percentage is berekend ten opzichte van alle huishoudens met thuiswonende kinderen.

  • Urk: 44,6%. Dat zijn 1.731 huishoudens met minstens drie thuiswonende kinderen.
  • Staphorst: 39,6%. Dat zijn 1.154 huishoudens met minstens drie thuiswonende kinderen.
  • Barneveld: 30,1%. Dat zijn 3.041 huishoudens met minstens drie thuiswonende kinderen.
  • Neder-Betuwe: 29,9%. Dat zijn 1.245 huishoudens met minstens drie thuiswonende kinderen.
  • Reimerswaal: 29,2%. Dat zijn 1.033 huishoudens met minstens drie thuiswonende kinderen.
  • Zwartewaterland: 27,2%. Dat zijn 1.032 huishoudens met minstens drie thuiswonende kinderen.
  • Rijssen-Holten: 27,1%. Dat zijn 1.706 huishoudens met minstens drie thuiswonende kinderen.
  • Nunspeet: 26,9%. Dat zijn 1.195 huishoudens met minstens drie thuiswonende kinderen.
  • Hardinxveld-Giessendam: 26,2%. Dat zijn 804 huishoudens met minstens drie thuiswonende kinderen.
  • Scherpenzeel: 25,9%. Dat zijn 421 huishoudens met minstens drie thuiswonende kinderen.

Het verschil is ook op provinciaal niveau zichtbaar. In Overijssel heeft 17,6% van de huishoudens met thuiswonende kinderen er minstens drie, tegenover 11,8% in Limburg. Zelfs Horst aan de Maas, dat binnen Limburg met 15,0% het hoogste aandeel heeft, blijft onder het landelijke gemiddelde van 15,5%.

In heel Nederland zijn grotere gezinnen minder gebruikelijk geworden. Het aantal huishoudens met minstens drie thuiswonende kinderen daalde van 450.271 op 1 januari 2001 naar 412.814 op 1 januari 2026. Hun aandeel onder alle huishoudens met kinderen ging daarmee van 18,1% naar 15,5%, een afname van 2,6 procentpunt.

Daarbij tellen alleen kinderen mee die op de peildatum thuis wonen, ook als ze al volwassen zijn. Kinderen die het huis uit zijn, vallen buiten deze cijfers.

Waar krijgen vrouwen gemiddeld het jongst en het oudst hun eerste kind?

Vrouwen op Urk krijgen hun eerste kind gemiddeld op 27,3-jarige leeftijd, terwijl vrouwen in Bloemendaal gemiddeld 33,5 jaar zijn. Tussen beide gemeenten zit dus 6,2 jaar. De gemeentelijke cijfers gaan over 2024, toen vrouwen in Nederland bij de geboorte van hun eerste kind gemiddeld 30,4 jaar waren.

Ook in Pekela worden vrouwen relatief jong voor het eerst moeder, gemiddeld op 27,4-jarige leeftijd. Daarna volgen Neder-Betuwe en Zwartewaterland met allebei 27,5 jaar en Hoogeveen met 27,7 jaar. Aan de andere kant staan, na Bloemendaal, Heemstede met 33,0 jaar en Haarlem met 32,6 jaar. In Amsterdam en Ouder-Amstel krijgen vrouwen hun eerste kind gemiddeld op 32,5-jarige leeftijd.

Zeeland valt op doordat de gemiddelde leeftijd bij het eerste kind in twaalf gemeenten onder de 30 jaar ligt. Zo komt Tholen uit op 27,9 jaar en Goes op 29,5 jaar, tegenover 30,4 jaar landelijk. In Noord-Holland lopen de leeftijden verder uiteen: tussen Den Helder (28,4 jaar) en Bloemendaal (33,5 jaar) zit 5,1 jaar.

Voor Nederland als geheel zijn ook cijfers tot en met 2025 beschikbaar. Daaruit blijkt dat vrouwen hun eerste kind gemiddeld 1,4 jaar later krijgen dan in 2000: de leeftijd steeg van 29,1 naar 30,5 jaar.

Onderzoeksverantwoording

Wat vergelijken we?

Met CBS-cijfers vergelijken we 2000–2002 met 2023–2025. Voor iedere gemeente berekenen we de verandering in het jaarlijkse aantal geboorten per 1.000 inwoners én in het totale aantal geboorten. Voor beide berekeningen gebruiken we dezelfde jaren en gemeenten. Door telkens drie jaren samen te nemen, weegt een afzonderlijk jaar met veel of weinig geboorten minder zwaar mee.

De aanleiding is de CBS-publicatie van 30 oktober 2026: 126.920 geboorten in de eerste negen maanden van 2026, tegenover 126.025 in dezelfde maanden van 2025. De stijging van 0,7% is op voorlopige cijfers gebaseerd.

Hoe berekenen we de verandering?

Voor het totale aantal geboorten tellen we de drie jaarcijfers op en delen we door drie. Voor geboorten per 1.000 inwoners delen we dat jaarlijkse gemiddelde door het gemiddelde aantal inwoners in dezelfde periode en vermenigvuldigen we met 1.000. Het gemiddelde inwonertal per jaar bepalen we uit de standen aan het begin en einde van dat jaar.

Vervolgens delen we het verschil tussen de twee perioden door het cijfer uit 2000–2002 en vermenigvuldigen we met 100. Dat levert de procentuele verandering op. We rekenen met onafgeronde cijfers en ronden pas de uitkomst af. Daardoor kunnen percentages iets afwijken van een berekening met de afgeronde aantallen in de tekst.

Welke gemeenten tellen mee?

We gebruiken de gemeente-indeling van 2026. Bij samenvoegingen tellen we de geboorten en inwoners van de vroegere gemeenten op. Zo kunnen we de ontwikkeling ook vergelijken voor gemeenten die in 2000 nog niet onder hun huidige naam bestonden.

Bij grenscorrecties tellen we de ontvangen en afgestane inwoners bij elkaar op. Gaat het op het moment van de wijziging om minder dan 0,5% van de bevolking van de samengestelde gemeente, dan verwerken we die kleine correctie niet afzonderlijk. Die grens is een keuze voor dit onderzoek. Verschuivingen tussen vroegere gemeenten die later samen één gemeente vormen, vallen hierbuiten: die veranderen het gezamenlijke gebied niet.

Daarmee zijn 303 gemeenten over beide perioden vergelijkbaar. Voor 39 gemeenten zijn de wijzigingen groter en bevatten de gebruikte historische cijfers geen afzonderlijke geboorteaantallen voor de overgedragen gebiedsdelen. We verdelen die geboorten niet op basis van een geschat bevolkingsaandeel. In de landelijke en provinciale cijfers tellen alle gemeenten mee.

Bij de provincievergelijking zijn de overgangen van Vianen, Loosdrecht, Leerdam en Zederik verwerkt, zowel voor geboorten als voor inwonertallen. Kleine overige provinciegrenscorrecties zijn niet afzonderlijk verwerkt.

Voor de geboortevergelijkingen geldt geen minimumaantal geboorten. Bij kleine gemeenten kan een verschil van enkele geboorten een groot percentage opleveren. Daarom noemen we bij zulke uitschieters ook de absolute aantallen.

Het aanvullende overzicht over 2023–2025

Deze ranglijst laat zien waar in 2023–2025 per 1.000 inwoners de meeste en minste kinderen werden geboren. We gebruiken dezelfde berekening als hierboven, maar vergelijken hier gemeenten met elkaar binnen één periode. Hiervoor zijn geen cijfers uit 2000 nodig en kunnen alle 342 gemeenten meedoen.

Gezinsgrootte en leeftijd bij het eerste kind

Voor gezinsgrootte berekenen we het aandeel huishoudens met minstens drie thuiswonende kinderen binnen alle huishoudens met thuiswonende kinderen. De gemeentelijke vergelijking gaat over 1 januari 2026 en omvat 335 gemeenten met minstens 1.000 huishoudens met kinderen. Ook volwassen thuiswonende kinderen tellen mee. De landelijke ontwikkeling vergelijken we tussen 1 januari 2001 en 1 januari 2026.

De gemiddelde leeftijd bij het eerste kind gaat over 2024. Hiervoor gebruiken we 320 gemeenten met gemiddeld minstens 100 geboorten per jaar in 2023–2025, omdat een jaargemiddelde bij heel weinig eerste geboorten sterk kan wisselen. Dit is een eigen selectie voor dit onderdeel. De landelijke leeftijdsontwikkeling vergelijken we tussen 2000 en 2025.